uitblazen

/ˈœydblazə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. inerg, figuurlijk (inerg), (figuurlijk) (weer) bijkomen, op adem komen, uitrusten
    Een weekendje uitblazen aan zee.
  2. ov (ov) door blazen doven /uitmaken
    De kaarsjes van een verjaardagstaart uitblazen.
  3. ov (ov) (adem, lucht, rook e.a.) naar buiten blazen
    Zijn laatste adem uitblazen.
    De rook uitblazen.
    Na tien stappen stopte ik om diep uit te blazen en mijn zenuwen te ontspannen waardoor ik een stuk makkelijker de laatste 10 meter aflegde.
  4. ov (ov) door blazen leegmaken, schoonmaken of zuiveren
    Eieren uitblazen.
  5. ov (ov) (glasblazerij) glas door blazen zijn definitieve vorm geven
  6. ov, muziek (ov), (muziek) een muziekstuk ten einde blazen
  7. ov, financieel (ov), (financieel) rekeningen of onkosten betalen
  8. ov, verouderd (ov), (verouderd) leegdrinken
  9. ov, verouderd (ov), (verouderd) leegschieten
  10. ov (ov) ten einde blazen

Vertalingen

Engelsblow out
Duitsschöpfen, durchatmen, sich erholen