uitblazen
/ˈœydblazə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg), (figuurlijk) (weer) bijkomen, op adem komen, uitrustenEen weekendje uitblazen aan zee.
- (ov) door blazen doven /uitmakenDe kaarsjes van een verjaardagstaart uitblazen.
- (ov) (adem, lucht, rook e.a.) naar buiten blazenZijn laatste adem uitblazen.De rook uitblazen.Na tien stappen stopte ik om diep uit te blazen en mijn zenuwen te ontspannen waardoor ik een stuk makkelijker de laatste 10 meter aflegde.
- (ov) door blazen leegmaken, schoonmaken of zuiverenEieren uitblazen.
- (ov) (glasblazerij) glas door blazen zijn definitieve vorm geven
- (ov), (muziek) een muziekstuk ten einde blazen
- (ov), (financieel) rekeningen of onkosten betalen
- (ov), (verouderd) leegdrinken
- (ov), (verouderd) leegschieten
- (ov) ten einde blazen
Vertalingen
Engelsblow out
Duitsschöpfen, durchatmen, sich erholen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek