uitvlucht
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈœytflʏxt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (schijn)argument (pretext, smoes, voorwendsel) dat men aanvoert om aan iets te ontkomen
Etymologie
* of van uitvliegen
Vertalingen
Franssubterfuge, échappatoire
Spaanspretexto, son, subterfugio
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek