uiten

/ˈœytə(n)/

Wat is de betekenis van uiten?

uiten betekent: (refl) zich ~: uiting geven aan gevoelens

Betekenis

werkwoord
  1. refl (refl) zich ~: uiting geven aan gevoelens
  2. ov (ov) zeggen

Voorbeelden van "uiten" in een zin

  • Hij had vaak moeite zich te uiten.
  • Hij uitte een schreeuw.
  • Het vertrek van een reeks hooggeplaatste functionarissen werd op 5 juli ingeluid door minister van Financiën Rishi Sunak en gezondheidsminister Sajid Javid. Het tweetal uitte bij hun vertrek felle kritiek op Johnson. Ze schreven in een verklaring dat de overheid geen "goed, competent en serieus werk" verricht.

Betekenis en uitleg van uiten

Het woord 'uiten' betekent iets kenbaar maken of uitdrukken, vaak in de context van gevoelens, meningen of gedachten. Wanneer je iets uit of uitdrukt, deel je datgene met anderen, zodat zij het kunnen begrijpen of ervaren.

'Uiten' wordt vaak gebruikt wanneer iemand zijn of haar mening of emoties deelt, bijvoorbeeld in gesprekken of schriftelijke communicatie. Het kan zowel positief als negatief zijn, afhankelijk van de context; iemand kan blijheid, zorgen of kritiek uiten. Dit woord is handig in situaties waarin je wilt benadrukken dat iets op een duidelijke en open manier wordt gecommuniceerd.

Voorbeelden

  • Zij besloot haar zorgen over de situatie te uiten tijdens de vergadering.
  • Het is belangrijk om je gevoelens te uiten, zodat anderen begrijpen wat je doormaakt.
  • Hij uitte zijn enthousiasme voor het project met een grote glimlach.

Woordoorsprong

Het woord 'uiten' is afgeleid van het Middelnederlands 'uiten', wat 'buiten brengen' of 'openbaren' betekent. Het heeft verwantschap met woorden die wijzen op het naar buiten brengen van iets.

Veelgestelde vragen over uiten

Wat is de betekenis van uiten?

uiten betekent: (refl) zich ~: uiting geven aan gevoelens

Hoeveel betekenissen heeft uiten?

uiten heeft 2 verschillende betekenissen in het Nederlands. Zie hierboven voor alle definities.

Hoe gebruik je uiten in een zin?

Voorbeeld: “Hij had vaak moeite zich te uiten.

Etymologie

*Afgeleid van uit.

Vertalingen

Engelsutter
Fransprononcer
Duitsäußern
Spaansboquear, proferir