uithangen

/ˈœythɑŋə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) iets ruim ophangen
    We moesten de was uithangen om deze te laten drogen.
    Nog voordat ik mijn pakken en overhemden ging uithangen in de kleerkast in de achterkamer, voerde ik het ritueel uit waarmee ik het bureau als mijn territorium markeerde.
  2. figuurlijk (figuurlijk) ergens verblijven

Uitdrukkingen

  • de voeten uithangen