uitkleden
/ˈœytkledə(n)/
Wat is de betekenis van uitkleden?
uitkleden betekent: (refl) zich ~ de eigen kleding afnemen
Betekenis
werkwoord
- (refl) zich ~ de eigen kleding afnemen
- (ov) van kleding ontdoen
- (ov) overdrachtelijk iemand financieel zwaar benadelen
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Voorbeelden van "uitkleden" in een zin
- Hij had zich net uitgekleed om naar bed te gaan.
- Hij maakte van de gelegenheid gebruik om zich helemaal uit te kleden en keek om zich heen in de heel kleine en heel Engelse slaapkamer waar het raam tochtte, ook al was het dicht.
- Zij kleedde haar kindje uit en legde hem in zijn bedje.
- Hij werd door die woekeraar helemaal uitgekleed.
- Zin met het uitkleden in de tweede betekenis erin.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek