uitkleden

/ˈœytkledə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. refl (refl) zich ~ de eigen kleding afnemen
    Hij had zich net uitgekleed om naar bed te gaan.
    Hij maakte van de gelegenheid gebruik om zich helemaal uit te kleden en keek om zich heen in de heel kleine en heel Engelse slaapkamer waar het raam tochtte, ook al was het dicht.
  2. ov (ov) van kleding ontdoen
    Zij kleedde haar kindje uit en legde hem in zijn bedje.
  3. ov (ov) overdrachtelijk iemand financieel zwaar benadelen
    Hij werd door die woekeraar helemaal uitgekleed.
  4. tweede betekenisomschrijving
    Zin met het uitkleden in de tweede betekenis erin.
  5. enz.