uitrust

Wat is de betekenis van uitrust?

uitrust betekent: eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van uitrusten

Betekenis

werkwoord
  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van uitrusten
  2. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van uitrusten
  3. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van uitrusten

Voorbeelden van "uitrust" in een zin

  • ... dat ik uitrust.
  • ... dat jij uitrust.
  • ... dat hij uitrust.