uitrust
Wat is de betekenis van uitrust?
uitrust betekent: eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van uitrusten
Betekenis
werkwoord
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van uitrusten
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van uitrusten
- derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van uitrusten
Voorbeelden van "uitrust" in een zin
- ... dat ik uitrust.
- ... dat jij uitrust.
- ... dat hij uitrust.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek