uitrusten
//
Betekenis
werkwoord
- (ov) (militair), (scheepvaart) één of meer personen, vaar- of voertuigen e.d. voorzien van de benodigdheden voor een taak, expeditie of reisDe vloot werd uitgerust met een nieuw radarsysteem.Het viel hem op dat er veel politie was maar dat ze niet waren uitgerust met witte oproerhelmen en schilden.
werkwoord
- (inerg)zich ontspannen na vermoeiende of langdurige bezighedenWe zijn bijna bij het bivak waar we kunnen uitrusten.Na drie weken alleen te hebben gelopen, kwam ik op een dag bij een beekje vier jongens tegen die languit in het stof lagen uit te rusten.
Etymologie
* In de betekenis van ‘van het nodige voorzien’ voor het eerst aangetroffen in 1517
Vertalingen
Engelsequip, repose
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek