uitrusten

//

Betekenis

werkwoord
  1. ov, militair, scheepvaart (ov) (militair), (scheepvaart) één of meer personen, vaar- of voertuigen e.d. voorzien van de benodigdheden voor een taak, expeditie of reis
    De vloot werd uitgerust met een nieuw radarsysteem.
    Het viel hem op dat er veel politie was maar dat ze niet waren uitgerust met witte oproerhelmen en schilden.
werkwoord
  1. inerg (inerg)zich ontspannen na vermoeiende of langdurige bezigheden
    We zijn bijna bij het bivak waar we kunnen uitrusten.
    Na drie weken alleen te hebben gelopen, kwam ik op een dag bij een beekje vier jongens tegen die languit in het stof lagen uit te rusten.

Etymologie

* In de betekenis van ‘van het nodige voorzien’ voor het eerst aangetroffen in 1517

Vertalingen

Engelsequip, repose