rusten

/ˈrʏstə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. werk of andere activiteit staken om het lichaam in staat te stellen weer op krachten te komen
    Tante Nella is in haar slaapkamer aan het rusten.
  2. rusten op: steunen op iets
    Laat je hand maar op haar rusten.
  3. rusten op: stilstaan / niet bewegen
    Thea kijkt eerst naar de muilen voordat haar blik naar boven glijdt en even op zijn gezicht blijft rusten.
    ' Clara's blik dwaalt van top tot teen over Thea's verschijning en blijft op haar gezicht rusten.

Etymologie

* In de betekenis van ‘uitrusten, rust nemen’ voor het eerst aangetroffen in 1240

Uitdrukkingen

  • Iets laten rustenNiet meer opnieuw over een (vaak moeilijk) onderwerp beginnen
  • Niet zullen rusten voordat [...]Iets per se gedaan willen krijgen

Vertalingen

Engelsrest
Fransreposer
Duitsruhen
Spaansreposar