uitslaan

/xxxx/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) door slaan iets eruit- of wegkrijgen
  2. ov, sport (ov), (sport) de bal wegslaan
    De bal werd uitgeslagen.
  3. ov (ov) (in ongunstige zin) "uiten", uiting geven aan
    De taal die hij uitsloeg was allerverschrikkelijkst.
  4. erga (erga) een wijzer of meter die een afwijkende beweging maakt.
    De wijzer was plotseling uitgeslagen.
  5. naar buiten gaan
  6. het iemand ontnemen van een bepaalde verantwoordelijkheid
  7. erga (erga) bedekt raken met een laag aanslag
    De muur was helemaal groen uitgeslagen.
  8. dierkunde (dierkunde) de vleugels ~ vliegen (v. vogels)

Vertalingen

Duitsausschlagen