uitslag

mannelijk (de)/ˈœytslɑx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. sport, spel (sport) (spel) afloop (van een wedstrijd), resultaat (van een onderzoek, een examen of een raadpleging)
    De uitslag van de wedstrijd was zeer teleurstellend voor de thuisploeg.
    ,,In een derby zo ruim verliezen is niet prettig, ook niet als het nergens meer om gaat. Toch zijn we niet van de mat gespeeld, ondanks de uitslag”, aldus de verliezende trainer Hilbert van Gils. Tubantia Peter Eidhof 11-05-19 [https://www.tubantia.nl/amateurvoetbal/avanti-laat-niets-heel-van-sportlust-glanerbrug-1-7~a75957e5/ Avanti laat niets heel van Sportlust Glanerbrug: 1-7]
  2. bouwkunde (bouwkunde) aanslag (ten gevolge van vocht op of in een muur) die van binnenuit komt.
  3. medisch (medisch) uiterlijk zichtbare ziekteverschijnselen van de huid
  4. waterbeheer (waterbeheer) niet meer herdijkt stuk land na een overstroming, of veel later opnieuw bedijkte polder
    De Oude Uitslag van Putten.

Etymologie

**[1] in de betekenis van ‘afloop, resultaat’ aangetroffen vanaf 1525

Vertalingen

Engelsresult
DuitsErgebnis, Ausschlag