uitspelen
/ˈœytspelə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (sport) (ov) ten einde spelen
- (sport) (ov) spelen op het terrein van de tegenpartij
- (sport) (ov) (een tegenstander) uitschakelen door middel van een dribbel of een pass
Uitdrukkingen
- Zijn laatste troef uitspelen — het laatste wat iemand achter de hand had naar buiten brengen
- uitgespeeld raken / lijken / worden — niet meer bruikbaar zijn
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek