uitspelen

/ˈœytspelə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. sport, ov (sport) (ov) ten einde spelen
  2. sport, ov (sport) (ov) spelen op het terrein van de tegenpartij
  3. sport, ov (sport) (ov) (een tegenstander) uitschakelen door middel van een dribbel of een pass

Uitdrukkingen

  • Zijn laatste troef uitspelenhet laatste wat iemand achter de hand had naar buiten brengen
  • uitgespeeld raken / lijken / wordenniet meer bruikbaar zijn