uitweiding
vrouwelijk (de)/ˈœytwɛidɪŋ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een (te) lange bespreking over een bepaald onderwerpZijn liefdesverdriet is een overbodige uitweiding, maar zijn obsessie met evenwicht en correctheid is verrijkend.de Standaard 5 DECEMBER 2017Op eenderde van het boek De grutto van bioloog Albert Beintema (1944) staat een fikse uitweiding over vervangende dienstplicht. Eerder treffen we passages aan waarin onderzoekers met naam en toenaam, vrienden en bekenden van de bioloog, aan bod komen. Regelmatig roept de schrijver zichzelf tot de orde, met een zin als: „Terug naar de rijstvelden in Guinee-Bissau.”NRC Kester Freriks 17 oktober 2015
Etymologie
* van uitweiden
Vertalingen
Engelsdigression
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek