uniformjas

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈynifɔrᵊmˌjɑs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kleding (kleding) over andere kleding gedragen bedekking van armen en bovenlichaam, onderdeel is van de volgens voorschrift gelijke kleren die leden van een bepaalde groep dragen
    De man forensde naar de kazerne in uniform, in zijn eigen auto die ook door zijn vrouw en kinderen werd gebruikt. De uniformjas hing thuis aan de kapstok.
    Hij droeg een alpinopetje en een uniformjasje met enkele medailles, maar ik herkende het uniform niet, militairen droegen toch nooit een alpinopetje? Ik besefte bijna meteen hoe dom ik was.