vóór
/vor/
Betekenis
voorzetsel
- voor, met nadruk op de tegenstelling met een ander zinsdeel of een eerdere uitspraakJe moet vóór het huis parkeren, niet ernaast.Maandag pas? U zou mijn tv vóór het weekeind bezorgen!
- voor, met nadruk, om een andere mogelijke betekenis van "voor" die nooit beklemtoond wordt, uit te sluitenZij wou een verlovingsring vóór haar verjaardag
voegwoord
- voor, met nadruk op het onderscheid tussen de beide nevengeschikte zinsdelenJe moet de tekst controleren vóór je hem publiceert.
- voor, met nadruk op de tegenstelling met een ander zinsdeel of een eerdere uitspraakZe staan niet 2-0 achter, maar 2-0 vóór!Hij houdt niet zo van vliegreizen, maar toen we naar Bali konden, was hij vóór.
- voor, met nadruk, om een andere mogelijke betekenis van "voor" die nooit beklemtoond wordt, uit te sluitenHij ging er vóór liggen.
Etymologie
*beklemtoonde schrijfwijze van voor, met klemtoontekens op beide o's volgens spellingregel 5.A
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek