vóór

/vor/

Betekenis

voorzetsel
  1. voor, met nadruk op de tegenstelling met een ander zinsdeel of een eerdere uitspraak
    Je moet vóór het huis parkeren, niet ernaast.
    Maandag pas? U zou mijn tv vóór het weekeind bezorgen!
  2. voor, met nadruk, om een andere mogelijke betekenis van "voor" die nooit beklemtoond wordt, uit te sluiten
    Zij wou een verlovingsring vóór haar verjaardag
voegwoord
  1. voor, met nadruk op het onderscheid tussen de beide nevengeschikte zinsdelen
    Je moet de tekst controleren vóór je hem publiceert.
  2. voor, met nadruk op de tegenstelling met een ander zinsdeel of een eerdere uitspraak
    Ze staan niet 2-0 achter, maar 2-0 vóór!
    Hij houdt niet zo van vliegreizen, maar toen we naar Bali konden, was hij vóór.
  3. voor, met nadruk, om een andere mogelijke betekenis van "voor" die nooit beklemtoond wordt, uit te sluiten
    Hij ging er vóór liggen.

Etymologie

*beklemtoonde schrijfwijze van voor, met klemtoontekens op beide o's volgens spellingregel 5.A