vaccineren
/xxxx/
Betekenis
werkwoord
- (ov) een injectie met een vaccin gevenDe gezondheidsdienst vaccineert kinderen tegen meningokokken.
Etymologie
*Afgeleid van vaccin .
Vertalingen
Engelsvaccinate
Fransvacciner
Spaansvacunar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek