vaderlijkheid
vrouwelijk (de)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het de eigenschappen van een vader hebbenGaat maar naar de meer dan half Joodsche Gereformeerden, die d'r Christelijkheid niet zullen mogen verloochenen, wanneer U ze stelt voor het Evangelie, maar overwegend neiging hebben om ‘Heere Heere’ te roepen en altijd den nadruk te leggen, niet op Gods vaderlijkheid en den Heiligen Geest, maar op Gods straffende gerechtigheid (1909)–G.J.P.J. Bolland [https://www.dbnl.org/tekst/boll004zuiv01_01/boll004zuiv01_01_0014.php Het lijden en sterven van Jezus Christus. Rede, den 29sten Maart 1907 uitgesproken voor collegianten te Amsterdam.]
Etymologie
* afleiding van vaderlijk
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek