vakantie

vrouwelijk (de)/vaˈkɑn(t)si/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. jaarlijks terugkerende periode waarin leerlingen en personen in verschillende beroepen vrijaf hebben
    De uren van onderwys zyn: van des morgens negen, tot des namiddags drie uren, eene verpozing van een halfuur op den middag. Er zullen twee vacanties gegeven worden, eene van acht dagen na het halfjaars examen en eene van drie weken naden afloop van het jaarlyksche examen.
    Wij hebben vanaf morgen vakantie!
  2. reis in een jaarlijks terugkerende periode waarin je vrijaf hebt
    In de jaren vijftig en zestig was de Nationale 7 ook de vrolijkste weg van Frankrijk, de route des vacances voor miljoenen Fransen die voor het eerst op vakantie naar het Zuiden konden.
    De vacanties zijn geëindigd. Regters en ambtenaren, advocaten en professoren komen van hun buitenverblijf of van hun uitstapje terug en verwisselen met leedwezen hun linnen- of reisjas tegen rok en toga, hun jagtroer en vischhoek tegen pen en potlood; ook de badplaatsen worden langzamerhand eenzaam.

Etymologie

**[2] in de betekenis van 'een reis tijdens de school- of werkvrije periode' (oorspronkelijk in vacanties), vertaald van het "vacances" () aangetroffen vanaf 1860 (zie vindplaats hieronder)

Vertalingen

Engelsholiday, vacation, time off
Fransvacances, vacances
DuitsUrlaub, Ferien, Urlaub
Spaansvacaciones
Zweedsfrí