vanzelfsprekendheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iets dat zo logisch te verwachten is dat men het niet expliciet hoeft te vertellen of te bewijzen
    ,,Komt helemaal goed.”: Nou is dat laatste geen vanzelfsprekendheid in het Enschedese voetbal, weten ook deze 22 brave borsten die door schade en schande wijs lijken geworden. Tubantia Andre Scheffers 10 mrt. 2019 [https://www.tubantia.nl/amateurvoetbal/ook-svv-91-en-phenix-kunnen-zonder-grensrechter-voetballen~abee50a3/ Ook SVV’91 en Phenix kunnen zonder grensrechter voetballen]
    Het enthousiasme van de ondernemers is begrijpelijk. Meer omzet is in de winkelstraat al lang geen vanzelfsprekendheid meer. Ook de Bruna winkels hebben wat dat betreft slechte tijden gekend. Steur vindt die verhalen veel te somber. ,,Er is helemaal geen crisis in de winkelstraat. Vorig jaar was de omzet 1,7 procent lager dan het jaar daarvoor.” Tubantia Peet Vogels 18-04-19 [https://www.tubantia.nl/economie/bruna-wil-100-nieuwe-winkels-we-zijn-geen-grijze-muis-meer~a68fcb16/ Bruna wil 100 nieuwe winkels, ‘we zijn geen grijze muis meer’]
    Ik ga er geen gewoonte van maken om evidenties te notuleren, maar één vanzelfsprekendheid deed mij bij herhaling zoveel plezier dat ik haar niet onvermeld wil laten.

Etymologie

*afgeleid van vanzelfsprekend

Vertalingen

Engelssurety, casualness, self-evidence
Spaansnaturalidad