veiligheidsriem

mannelijk (de)/ˈvɛiləxhɛitsˌrim/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. twee banden van sterk weefsel met een sluiting die iemand in een veilige positie vast te houden bij een botsing of sterke vertraging
    Maak uw veiligheidsriem vast en zet uw stoel rechtop.
    Het overgrote deel van vliegtuigongevallen gebeurt tijdens start of landing. De snelheden zijn dan vergelijkbaar met die van snelle auto’s. De overlevingskans is heel behoorlijk, mits de veiligheidsriem wordt gedragen.
  2. band van sterk weefsel om iemand in een veilige positie vast te houden bij een botsing of sterke vertraging
    Zijn auto is ‘een hermetisch afgesloten ruimte waarbinnen alles is wat het is en blijft wat het is, voor nu en altijd: de hendels en knopjes, de lampjes naast de snelheidsmeter, het zwart van de veiligheidsriem schuin over mijn bollende buik’ (…).