velen

/ˈvelə(n)/

Wat is de betekenis van velen?

velen betekent: (ov) tolereren, verdragen, dulden

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) tolereren, verdragen, dulden
telwoord
  1. zelfstandig gebruikt onbepaald hoofdtelwoord voor personen

Voorbeelden van "velen" in een zin

  • Ik kan dat niet velen.
  • Afwijkend gedrag werd niet geveeld.
  • Velen zouden dat nooit doen.
  • U mag zich in uw belangrijke werk gesteund weten door het besef dat velen u wijsheid toewensen en met mij om kracht en Gods zegen voor u bidden.
  • Velen van ons zijn slaaf van onze schulden geworden en ik was hierop geen uitzondering.

Betekenis en uitleg van velen

Het woord 'velen' verwijst naar een grote groep mensen of dingen. Het wordt vaak gebruikt om aan te geven dat iets niet beperkt is tot een paar individuen, maar dat het om een aanzienlijk aantal gaat.

Je gebruikt 'velen' wanneer je wilt benadrukken dat een bepaalde mening, ervaring of actie door een grote groep mensen wordt gedeeld. Het kan ook worden gebruikt om de impact van iets aan te geven, zoals in de zin dat 'velen het erover eens zijn'. Het woord geeft vaak een gevoel van saamhorigheid of collectieve ervaring.

Voorbeelden

  • Velen waren het erover eens dat het festival een groot succes was.
  • In de stad komen velen samen om de jaarlijkse parade te vieren.
  • Het boek is populair en heeft velen geïnspireerd om hun eigen verhalen te delen.

Woordoorsprong

Het woord 'velen' is verwant aan het Oudnederlands 'vel', wat 'veel' betekent. De vormgeving suggereert een meervoudige betekenis, waarbij de nadruk ligt op een aanzienlijke hoeveelheid.

Veelgestelde vragen over velen

Wat is de betekenis van velen?

velen betekent: (ov) tolereren, verdragen, dulden

Hoeveel betekenissen heeft velen?

velen heeft 2 verschillende betekenissen in het Nederlands. Zie hierboven voor alle definities.

Hoe gebruik je velen in een zin?

Voorbeeld: “Ik kan dat niet velen.

Etymologie

*(erfwoord), mogelijk van dezelfde stam als bevelen

Vertalingen

Engelsabide, bear, endure
Franssupporter, endurer
Duitsertragen, dulden
Spaanspadecer, sufrir, tolerar