verdoving

vrouwelijk (de)/vərˈdovɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verbijstering
  2. medisch (medisch) bedwelming door een middel om geen bewustzijn te hebben, volledig of gedeeltelijk
    Bij de tandarts kreeg hij een verdoving.

Etymologie

* van verdoven