verduisteren

/vərˈdœystərə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. donkerder maken/van het licht beroven, bijvoorbeeld van hemellichamen
    De maan verduisterde de zon.
    Het verduisteren van de maan begon rond 04.30 uur en een uur later begon de totale eclips. Maar doordat een kwartiertje later de zon alweer opkwam in Nederland, kon alleen de start worden waargenomen.
  2. misdaad, eufemisme (misdaad), (eufemisme) iets (m.n. geld) ontvreemden/stelen
    Hij werd gepakt voor het verduisteren van anderhalf miljoen.
  3. verplicht afplakken van alle ramen om de nachtelijke geallieerde bombardementen te bemoeilijken, tijdens de Tweede Wereldoorlog
    Door het verduisteren kon je zelfs 's nachts in je eigen straat nog verdwalen.

Etymologie

*Afgeleid van duister

Vertalingen

Engelsdarken, eclipse, embezzle
Fransobscurcir, détourner
Duitsverdunkeln, veruntreuen, unterschlagen
Spaansoscurecer, ensombrecer, obscurecer