verhouding

vrouwelijk (de)/vərˈhɑudɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. wiskunde (wiskunde) een verband in de vorm van een breuk tussen getalsmatige grootheden
    De verhouding Franstaligen over Nederlandstaligen in België is 4/6.
    Door mijn nieuwe, zuinige levensstijl zou er ruimte kunnen ontstaan om een andere verhouding tussen werk en avontuur te vinden.
  2. sociologie (sociologie) de sociale betrekkingen tussen personen onderling
    Er heerste een gespannen verhouding onder de groepsleden.
    Teresa wist dat de verhouding tussen haar broer en dit meisje niet in balans was, maar ze betwijfelde of Olive zich bewust was van deze lagen van dwaze verliefdheid en angst, die ze nu met haar eigen hand aan het licht bracht.
    Denemarken ook nauwelijks, in de pers hadden ze het uitgebreid gehad over de gemoedelijke verhouding tussen de Deense bevolking en de Duitse gasten. De koning en de regering van Denemarken zaten nog op hun plaats en de samenwerking leek uitstekend te functioneren binnen de Germaanse verbroedering.
  3. sociologie (sociologie) een intieme, veelal duurzame liefdesrelatie tussen meestal twee personen
    Zij hebben al een tijdje een los-vaste verhouding.
    In haar schrijven had Quick het wel over Sarahs verhouding met Isaac, maar niet over een zwangerschap.
    Het hof zegt niet te hebben kunnen vaststellen dat er in de relatie tussen Bakker en het slachtoffer - met wie hij een verhouding had - een situatie was waarin het meisje werd gedwongen tot seksuele gemeenschap. Dat Bakker in de relatie "erg dominant" was en dat hij misbruik maakte van de kwetsbare situatie waarin het slachtoffer zich bevond, staat volgens het hof buiten kijf.

Etymologie

* van verhouden .

Vertalingen

Engelsrelation, proportion, ratio
Fransrapport, relation, rapport
DuitsVerhältnis, Verhältnis, Beziehung
Spaansproporción, relación, relación