verliezen

/vərˈlizə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) iets kwijtraken
    In 2009 heeft de politieke partij vijf procent van haar leden verloren.
    ‘Het was het risico waard, ik had niets te verliezen’, zegt ze aan de Toronto Star. De Standaard 15/01/2019 door jvt [http://www.standaard.be/cnt/dmf20190115_04104606 Saudische tiener: ‘Ik hoop dat mijn verhaal andere vrouwen aanmoedigt om vrij te zijn’]
    Het was fascinerend om te zien hoeveel zout ik verloor: na dagen zonder douche stond mijn shirt stijf van de zoute strepen en bleef het bijna rechtop staan.
  2. inerg (inerg) niet winnen
    ,,In een derby zo ruim verliezen is niet prettig, ook niet als het nergens meer om gaat. Toch zijn we niet van de mat gespeeld, ondanks de uitslag”, aldus de verliezende trainer Hilbert van Gils. Tubantia Peter Eidhof 11-05-19 [https://www.tubantia.nl/amateurvoetbal/avanti-laat-niets-heel-van-sportlust-glanerbrug-1-7~a75957e5/ Avanti laat niets heel van Sportlust Glanerbrug: 1-7]
  3. iemand verloren hebben: iemand is gestorven
    Ze was niet veeleisend wat betreft hun kwaliteit of herkomst. Ze had foto's van Clemenceau, Maurras, Poincaré, Jaurès, Joffre, Briand... Sinds ze haar man had verloren, die het bevel voerde over een groep geüniformeerde suppoosten in het Musée du Louvre, bezorgden grote mannen haar heftige sensaties. {{Aut|Lemaitre, Pierre
  4. alleen laten, vereenzamen
    Ik was totaal weggeregend in mijn tentje en had het hele weekend een beetje verloren en verveeld voor me uit zitten kijken in een kroeg.

Etymologie

* In de betekenis van ‘kwijtraken’ voor het eerst aangetroffen in 1201

Uitdrukkingen

  • have en goed (verliezen)alles wat men heeft (verliezen)
  • het verloren schaap (zijn)de gezochte (zijn)
  • zijn hebben en houwen verliezenalles wat iemand bezit kwijtraken
  • zijn wilde haren verliezenminder gekke dingen gaan doen
  • uit het oog verliezenniet meer ontmoeten
  • een vos verliest wel zijn haren, maar niet zijn streken
  • waar niets is, verliest de keizer zijn recht

Vertalingen

Engelslose
Fransperdre
Duitsverlieren
Spaansperder, perder
Japans負ける, まける, makeru
Poolsgubić, tracić, lose