kwijtraken

/ˈkʋɛːtrakə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) verloren gaan / verliezen
    Als je het niet opbergt, raakt het vast kwijt.
    Daarom schrijf ik dit. Voordat we elkaar helemaal kwijtraken en veranderen in iets wat we nooit waren, alsof alles wat ons met elkaar verbond niet meer bestaat. {{Aut|Harstad, Johan
    Oscar kwam overeind, rekte zich uit en deed een paar rompoefeningen om de stijfheid kwijt te raken, alsof hijzelf ook de strijd aan zou moeten gaan.
  2. erga (erga) niet meer weten waar iets is
    Ze had me teder aangekeken, maar ook met iets van angst, alsof ze, als ze me te dichtbij liet komen, het risico liep opnieuw kwijt te raken wat ze toen was kwijtgeraakt, wat dat dan ook mocht zijn geweest.
    Ik ben m'n paspoort kwijtgeraakt.

Vertalingen

Engelslose
Fransperdre
Duitsloswerden, verlieren
Spaansperder
Zweedsförlora