vernederlandsing

vrouwelijk (de)/vərˈnedərˌlɑntsɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. taalkunde (taalkunde) aanpassing waardoor een woord dat is ontleend aan een andere taal meer gaat lijken op een gewoon Nederlands woord
    'Hoera' is inderdaad ontleend aan het Duits; het is een vernederlandsing van 'hurra', een Pruisische soldatenkreet.
  2. taalkunde (taalkunde) verandering waardoor een taal meer op het Nederlands gaat lijken
    Dogruöz verwacht dat de vernederlandsing van het gesproken Turks zal doorzetten naarmate de Nederlandse Turken minder contact hebben met het moederland.
  3. taalkunde, politiek (taalkunde) (politiek) invoering of uitbreiding van het Nederlands als voertaal
    Op 10 december las hij zijn regeringsverklaring voor in de Kamer en legde hij het regeringsontwerp neer over de vernederlandsing van de universiteit in Gent.
  4. aanpassing aan wat in Nederland wenselijk of normaal wordt gevonden
    Het ultieme voorbeeld van vernederlandsing van Aziatisch eten is misschien wel de bamischijf.

Etymologie

*afgeleid van "vernederlandsen"