veroorzaken

/xxxx/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) de oorzaak zijn van; een gevolg tot stand brengen
    Het doorknippen van het rode draadje veroorzaakte de explosie.
    Had ik niet beter thuis kunnen blijven om ze elke dag te kunnen zien? Had ik de tocht niet beter 10 jaar kunnen uitstellen totdat ze uit huis zouden zijn? En welk effect zou deze tocht op mijn jonge tieners hebben? Een vader die zo lang van huis is zou misschien onbewust verlatingsangst of aandachttekort kunnen veroorzaken.

Etymologie

*afgeleid van oorzaak en

Vertalingen

Engelscause
Duitsverursachen
Spaansocasionar, causar, producir
Italiaanscausare