verplaatsen

/vərˈplatsə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) iets van de ene plaats naar de andere brengen
    In het schaakspel worden bij een rokade zowel de koning als de toren verplaatst.
    Als je een hortensia verplaatsen wilt, kun je dat het beste doen in de lente.
    Sommige waren redelijk groot, dus besloot ik mijn tent twee meter te verplaatsen.
  2. refl (refl) zich ~ van de ene naar de andere plaats gaan
    Zij heeft geen eigen auto en verplaatst zich meestal op de fiets.

Etymologie

*afgeleid van plaatsen

Vertalingen

Engelsmove, relocate