verscheuring

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de breuk van iets dat eerst een eenheid was
    Dit was niet het afknabbelen waarover graaf Lubonski zo vergoelijkend gesproken had; dit was grootscheepse, gevoelloze, brute verscheuring van een grote christelijke natie.
    My geabstineert van verdere reproches doch naar huys gewandelt in eene zeer gedeprimeerde stemming en my droevig afgevraagt waar het heen moet met ons Vaderlant nu zelfs in de boezems der agtbaarste en deftigste families de politiek zulke verscheuring en verwydering teweeg brengt.
  2. de keer dat men iets in stukken scheurt

Etymologie

* afleiding van van verscheuren