breuk
mannelijk/vrouwelijk (de)/brøk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (wiskunde) de uitkomst (quotiënt) van een deling van twee of meer gehele getallenIrrationale getallen zoals pi zijn geen breuk en kunnen ook niet als breuk geschreven worden
- een gebroken gedeelte van een objectJe kon heel goed de randen van de breuk voelen.
- grens tussen twee aardplaten
- beëindiging van een relatieMisschien nog ingewikkelder was het toen het uitging met mijn oudste dochter en haar vriendje......Zij gaf later aan het lastig te hebben gevonden dat ik toen niet thuis was geweest. Ze had het gevoel dat ik daardoor minder goed kon inschatten welk effect de breuk op haar had gemaakt.
Etymologie
* In de betekenis van ‘het breken, barst’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Uitdrukkingen
- zich een breuk lachen — heel erg lachen
Vertalingen
Engelsfraction, fracture
Fransfraction
DuitsBruch
Spaansquebrado, fracción
Italiaansfrazione
Poolsułamek
Deensbrøk
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek