scheur
mannelijk/vrouwelijk (de)/sxør/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een kloof in een vlies of weefselEr zat een scheurtje in zijn jas.Ook in die wanden zitten scheurtjes. Om dat te herstellen heb je een hele aparte aanpak nodig. Die expertise is in ons kleine landje niet makkelijk te vinden."
Etymologie
* In de betekenis van ‘barst’ voor het eerst aangetroffen in 1265
Vertalingen
Engelsburst, crack, tear
DuitsRiss
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek