vertrekken

/vərˈtrɛkə(n)/

Wat is de betekenis van vertrekken?

vertrekken betekent: (erga) weggaan.

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) weggaan.
  2. erga (erga) van gelaatstrekken van uitdrukking veranderen
  3. stoppen met het vervullen van een functie

Voorbeelden van "vertrekken" in een zin

  • We waren de dag daarvoor vertrokken.
  • Maar de slang maakte geen aanstalten om te vertrekken.
  • Zijn gezicht vertrok van woede.
  • De meeste mensen zijn vriendelijk in hun oordeel over u. En toch draait uw maag zich half om als u uw vertrekkende directeur mag toespreken of de familie met een tafelspeech mag onderhouden op de bruiloft van uw dochter.

Betekenis en uitleg van vertrekken

Vertrekken betekent het verlaten van een bepaalde plaats om naar een andere locatie te gaan. Het kan zowel letterlijk zijn, zoals het vertrekken van huis, als figuurlijk, bijvoorbeeld in de zin van het beëindigen van een activiteit of situatie.

Je gebruikt het woord 'vertrekken' vaak in de context van reizen of verhuizen, maar ook in dagelijkse gesprekken waarin iemand aangeeft dat ze een gesprek willen beëindigen. Het kan een gevoel van vooruitgang of verandering impliceren, en soms ook een vleugje melancholie, vooral als het gaat om afscheid nemen.

Voorbeelden

  • Na een gezellig etentje besloten we om rond middernacht te vertrekken.
  • Ze voelde zich verdrietig toen ze moest vertrekken van haar oude huis, waar ze zoveel herinneringen had.
  • De trein vertrekt om tien uur, dus we moeten opschieten.

Woordoorsprong

Het woord 'vertrekken' komt van het Middelnederlandse 'vertrecken', wat betekent 'weggaan' of 'afscheid nemen'.

Veelgestelde vragen over vertrekken

Wat is de betekenis van vertrekken?

vertrekken betekent: (erga) weggaan.

Hoeveel betekenissen heeft vertrekken?

vertrekken heeft 3 verschillende betekenissen in het Nederlands. Zie hierboven voor alle definities.

Hoe gebruik je vertrekken in een zin?

Voorbeeld: “We waren de dag daarvoor vertrokken.

Etymologie

*afgeleid van trekken

Vertalingen

Engelsleave, depart
Franspartir
Duitsfortgehen, weggehen
Spaanssalir, irse, marcharse