aankomen

/ˈaŋkomə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) een bestemming bereiken
    U bent aangekomen in Overveen.
    'Als ik na het eten nog cafeïne drink, doe ik geen oog dicht, en ik kan natuurlijk niet met dikke wallen aankomen op mijn auditie.
    Want stel je voor dat Sint hier in een ouwe, grauwe paardedeken was aangekomen. Hadden jullie hem dan herkend?
  2. een kort bezoek brengen*
    Zullen we even aankomen als we toch in Zwolle zijn.
  3. treffen
    Het ongeval was harder aangekomen dan we aanvankelijk dachten.
  4. erga (erga) zwaarder worden
    Hij is de laatste paar maanden aardig aangekomen.
  5. dichterbij komen
    Zij hoorde de elektrische auto niet aankomen.
    Meestal zie ik al van mijlenver aankomen wat er aan de hand is en wat er mis dreigt te gaan.
  6. aanraken
    Hoewel zijn ouders het hem verboden hadden, kwam de kleuter aan de knopjes in de lift.
    Nergens aankomen!
  7. emotioneel raken; emotioneel beroeren
    Winnaars creëren hun eigen geluk, verliezers hun eigen nederlaag. Geen wonder dat de consequenties van teleurstellende prestaties dan zo ontzettend hard aankomen.
  8. iets zien aankomen: iets verwachten
    ' 'Net zoals ik gisteravond niet zag aankomen dat ik Caspar Witsen in de ontvangkamer zou aantreffen'.
    Meestal zie ik al van mijlenver aankomen wat er aan de hand is en wat er mis dreigt te gaan.
    'Wát? Wist je ervan?' Ze voelt de snik aankomen - dit is haast nog erger dan de aanblik van Jack en haar naakte echtgenoot op de chaise longue in zijn kantoor.
  9. aankomen aan: krijgen
  10. aankomen op: berusten op
  11. erop aankomen: beslissend zijn, van belang zijn
  12. aankomen met: met iets komen aandragen

Uitdrukkingen

  • er zit een mooie tijd aan te komenvol hoop zijn dat er goede tijden komen
  • iemand zien aankomeniemand geen kans gunnen
  • ergens aankomenmet je handen iets aanraken
  • het ergens op aan laten komenriskeren, de gok wagen
  • kunnen zien aankomenvoorspellen
  • niet kunnen aankomen metniet als excuus kunnen gebruiken dat

Vertalingen

Engelsarrive, end up, gain weight
Fransarriver, gagner, toucher
Duitsankommen, zunehmen
Spaansllegar, engordar, tocar
Italiaansarrivare
Poolsprzybywać, tyć