aankomen
/ˈaŋkomə(n)/
Wat is de betekenis van aankomen?
aankomen betekent: (erga) een bestemming bereiken
Betekenis
werkwoord
- (erga) een bestemming bereiken
- een kort bezoek brengen*
- treffen
- (erga) zwaarder worden
- dichterbij komen
- aanraken
- emotioneel raken; emotioneel beroeren
- iets zien aankomen: iets verwachten
- aankomen aan: krijgen
- aankomen op: berusten op
- erop aankomen: beslissend zijn, van belang zijn
- aankomen met: met iets komen aandragen
Voorbeelden van "aankomen" in een zin
- U bent aangekomen in Overveen.
- 'Als ik na het eten nog cafeïne drink, doe ik geen oog dicht, en ik kan natuurlijk niet met dikke wallen aankomen op mijn auditie.
- Want stel je voor dat Sint hier in een ouwe, grauwe paardedeken was aangekomen. Hadden jullie hem dan herkend?
- Zullen we even aankomen als we toch in Zwolle zijn.
- Het ongeval was harder aangekomen dan we aanvankelijk dachten.
Uitdrukkingen
- er zit een mooie tijd aan te komen — vol hoop zijn dat er goede tijden komen
- iemand zien aankomen — iemand geen kans gunnen
- ergens aankomen — met je handen iets aanraken
- het ergens op aan laten komen — riskeren, de gok wagen
- kunnen zien aankomen — voorspellen
- niet kunnen aankomen met — niet als excuus kunnen gebruiken dat
Vertalingen
Engelsarrive, end up, gain weight
Fransarriver, gagner, toucher
Duitsankommen, zunehmen
Spaansllegar, engordar, tocar
Italiaansarrivare
Poolsprzybywać, tyć
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek