arriveren

/ɑriˈverə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) de bestemming bereiken
    De stoet was bij het paleis gearriveerd.
    Het was nog donker toen Jack arriveerde om mij met zijn auto naar de Mexicaanse grens brengen.
    ‘YeeHaa…’ Met een plons sprong Goldie naast me het hete water in. Goldie en Barbie hadden me binnen een halfuur al ingehaald en waren ook gearriveerd bij de rivier.

Etymologie

* van "arriver" (), in de betekenis van ‘aankomen’ voor het eerst aangetroffen in 1240

Vertalingen

Engelsarrive, end up
Fransarriver
Duitsankommen
Spaansllegar (a)
Portugeeschegar
Poolsprzybyć