naderen

/xxxx/

Betekenis

werkwoord
  1. in aantocht zijn; dichterbij komen
    Wie de stad nadert, valt meteen de imposante kerktoren op.
    De grote dag begint te naderen
    Het was herfst en de winter naderde.

Etymologie

*Afgeleid van nader.

Vertalingen

Engelsto approach
Franss'approcher de
Duitsnäher kommen
Spaansacercarse, avecinar
Zweedsnärma