vervelen
/vərˈvelə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) saai zijn, en gevoelens van onlust bij iemand oproepen
- (inerg) klieren
- (refl) zich ~: niet weten wat te doenMisschien zou ik me op een gegeven moment vervelen met alleen mijn eigen gedachten als vermaak.
Etymologie
*Afgeleid van veel
Uitdrukkingen
- (in België) verveeld zitten met iets
Vertalingen
Engelsbe bored
Franss'ennuyer
Duitssich langweilen
Spaansfastidiarse, aburrirse
Turksusanmak
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek