vervoegen

/vərˈvuɣə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov, taalkunde (ov) (taalkunde) omvormen van een werkwoord om wijze, tijd en persoon uit te drukken
    Nederlanders die Duits willen leren, vinden het vaak makkelijk om de Duitse werkwoorden te vervoegen.
    Hij doet het goed op school, zegt zijn moeder, maar de werkwoorden être en avoir kan hij niet vervoegen.
  2. ov (ov) opzoeken, zich aansluiten bij
  3. refl (refl) ergens naartoe gaan
    Nu konden we ons dan in persoon vervoegen aan de Westerkade, op zondagavond, de laatste shift van half acht.
  4. refl (refl) benaderen met een vraag of wens
    Je bleek gewoon onderzoek te kunnen doen naar de koninklijke familie en het hof. Je hoefde je niet te vervoegen bij de Rijksvoorlichtingsdienst, die alles ‘te persoonlijk’ vindt.
  5. refl, verouderd (refl) (verouderd) zich ergens bijvoegen, zich ergens bij aansluiten

Etymologie

**[A.2] beïnvloed door "rejoindre"

Vertalingen

Engelsconjugate
Fransconjuguer
Spaansconjugar
Poolskoniugować