verwoesten

/vərˈwustə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) totaal vernielen, niets intact laten
    Het noodweer verwoestte de ganse oogst.

Etymologie

*Afgeleid van woest

Vertalingen

Engelsdestroy, devastate
Fransdétruire, ravager
Duitsverwüsten, zerstören
Spaansdestruir, desolar, arruinar