verwoesten
/vərˈwustə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) totaal vernielen, niets intact latenHet noodweer verwoestte de ganse oogst.
Etymologie
*Afgeleid van woest
Vertalingen
Engelsdestroy, devastate
Fransdétruire, ravager
Duitsverwüsten, zerstören
Spaansdestruir, desolar, arruinar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek