verzekering

vrouwelijk (de)/vərˈzekəˌrɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. juridisch, financieel (juridisch), (financieel) overeenkomst waarmee men zorgt voor vergoeding van schade, diefstal e.d. door het betalen van een premie aan degene die verzekert
    Ik heb als ondernemer een verzekering afgesloten.
  2. de mededeling dat iets echt waar is, dat iets een feit is
    Hij gaf me de verzekering dat alles klopte.

Etymologie

* van verzekeren

Vertalingen

Engelsinsurance, assurance, affirmation
Fransassurance, assurance
DuitsVersicherung, Versicherung
Spaansseguro, seguridad, afirmación
Poolsubezpieczenie