viaticum
onzijdig (het)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- vergoeding die een dominee ontvangt voor het houden van een preekOoit heette de preekvergoeding in keurig kerklatijn ”viaticum”, teerkost voor onderweg. Daar was vooral het reisgeld mee bedoeld. Het is inderdaad reëel dat er in de gemaakte uitgaven wordt voorzien. De vervoerskosten rijzen de pan uit.
- communie gegeven aan een stervende als deel van de laatste sacramenten
Etymologie
* uit het Latijn
Vertalingen
Engelsviaticum
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek