vieren
/ˈvirə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) op plechtige of feestelijke wijze een gedenkwaardige tijd gedenkenDe Noorse romanschrijver Jonas Lie, die sinds jaren te Parijs woont, zal daar op 6 November 1903 zijn 70ste verjaardag vieren.En het NOS Jeugdjournaal maakt een speciale website over 75 jaar vrijheid. Zo kun je nog beter begrijpen waarom we blijven vieren dat we in Nederland in vrijheid leven.Ik accepteerde de naam direct en we klonken met onze glazen cola om het te vieren.
- (ov) de lengte van een touw of kabel waaraan iets vastzit langer maken (bijv. in de scheepvaart)Ik liet het ankertouw vieren en duwde de boot met mijn handen langs de graskant.
zelfstandig naamwoord
- van vier: bij tijdsaanduidingen na voorzetselsHet was al over vieren.
Etymologie
* "vier" met de uitgang -en
Uitdrukkingen
- de teugels laten vieren
- Zij waren met zijn vieren. — Zij waren vier in getal.
Vertalingen
Engelscelebrate, veer, slacken
Franscélébrer
Duitsfeiern, begehen, zelebrieren
Spaanscelebrar, aflojar
Italiaanscelebrare, festeggiare
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek