vies

vis

Wat is de betekenis van vies?

vies betekent: bevuild, smerig

Betekenis

bijvoeglijk naamwoord
  1. bevuild, smerig
  2. drinken_in_het_nederlands, voeding_in_het_nederlands een onaangename smaak hebbend
  3. immoreel

Voorbeelden van "vies" in een zin

  • Mijn kunstgras is vies.
  • Bijna iedereen ter wereld woont op plekken waar de lucht te vies is.
  • Ik vond vroeger het eten thuis altijd vies.
  • Het boek ‘Sywerts Miljoenen’ laat lezer achter met heel vies gevoel.

Betekenis en uitleg van vies

Het woord 'vies' verwijst naar iets dat niet schoon of aangenaam is, vaak met een negatieve connotatie. Dit kan slaan op fysieke objecten, zoals vieze handen of een vieze vloer, maar ook op situaties of gedrag dat als onsmakelijk wordt ervaren.

Je gebruikt 'vies' vaak om aan te geven dat iets niet voldoet aan hygiënestandaarden of dat het een onaangename indruk maakt. Het kan ook figuurlijk worden gebruikt, bijvoorbeeld om bepaald gedrag of woorden te beschrijven die als ongepast of kwetsend worden ervaren. De nuance kan variëren van simpelweg 'schoonheidsproblemen' tot diepere morele oordelen.

Voorbeelden

  • Na het spelen in de modder waren de kinderen helemaal vies, hun kleding zat vol met aarde.
  • De documentaire onthulde een vieze praktijken binnen de industrie, wat veel kijkers choqueerde.
  • Zijn vieze opmerkingen tijdens de vergadering zorgden voor ongemakkelijke stiltes.

Woordoorsprong

Het woord 'vies' stamt van het Middelnederlandse 'vies', dat ook 'onrein' betekende. Het is verwant aan het Duitse 'fies', wat 'gemeen' of 'slecht' betekent.

Veelgestelde vragen over vies

Wat is de betekenis van vies?

vies betekent: bevuild, smerig

Hoeveel betekenissen heeft vies?

vies heeft 3 verschillende betekenissen in het Nederlands. Zie hierboven voor alle definities.

Hoe gebruik je vies in een zin?

Voorbeeld: “Mijn kunstgras is vies.

Etymologie

Oorspronkelijk een dialectische variant vies, naast echt-Nederlands vijs (bijv. West-Vlaams vijs, Middelnederlands vijs), waarschijnlijk afgeleid van Germaans *fīsan 'blazen', (eufemistisch) 'winden laten', vergelijk Oudnoords físa '(vuur) aanblazen', IJslands físa '(vuur) aanblazen', 'wind laten',

Vertalingen

brlous
Chinees
Deensbeskidt
Duitsschmutzig, verdreckt
Engelsfilthy, dirty
Franssale
fysmoarch, goar
iodesneta
gasalach
iddekil, licik, kotor
iaimmunde
Italiaanssporca, sporco
Japans汚れる, 汚い
faكثيف
Poolsbrudny
Portugeesimundo, imunda, sujo, suja
romurdar
Russischгрязное
Spaanssucio
urگندا
cypỳg
Zweedssmutsig