vlakte
vrouwelijk (de)/ˈvlɑktə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (geologie) gebied met weinig of geen hoogteverschillenBij Denver eindigt de vlakte en begint het Rotsgebergte.Verderop is een ruime zwier omhoog naar rechts, dit is wat renners een moordenaar noemen. Maar het lijkt er ook op dat zich daar de bevrijding aandient. Een strakblauwe hemel domineert in het blikveld, het is alsof de sparren respectvol uit zicht blijven. De weldaad van een kale vlakte volgt.Vandaag zou ik de woestijn intrekken, een dorre vlakte die mij totaal vreemd was.
Etymologie
*Afgeleid van vlak .
Uitdrukkingen
- Zich op de vlakte houden — Een mening niet uiten, zich onpartijdig voordoen
- Tegen de vlakte gaan — (om gebouwen): instorten, neergaan(om mensen): flauwvallen
- Iemand tegen de vlakte slaan — Iemand neerslaan
Vertalingen
Engelsplain
Fransplaine
DuitsEbene, Fläche
Spaansllanura, llano
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek