vlees
onzijdig (het)/vles/
Wat is de betekenis van vlees?
vlees betekent: (anatomie) spierweefsel van bepaalde organen
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (anatomie) spierweefsel van bepaalde organen
- (voeding) spierweefsel van dieren dat opgegeten kan worden als onderdeel van de voeding
Voorbeelden van "vlees" in een zin
- Een vegetariër eet geen vlees.
- Eigenlijk had Nella gehoopt op geurige bijenwas, en ze is verbaasd dat ze hier hebben gekozen voor deze walmende soort, die naar vlees ruikt.
- De zwart verkoolde buitenkant omhulde zacht, wit vlees.
Etymologie
*(erfwoord) via Middelnederlands "vleesc" en Oudnederlands "flesk", in de betekenis van ‘spierweefsel’ aangetroffen vanaf 901
Uitdrukkingen
- Beter een luis in de pot dan helemaal geen vlees — Wees met weinig tevereden als je toch niet meer bereikt.
- De geest is gewillig, maar het vlees is zwak — Stoett-619 [http://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01 www.dbnl.org]
- De weg van alle vlees gaan — dood gaan
- Een doorn in het vlees — Stoett-468 [http://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01 www.dbnl.org]
- Vis noch vlees zijn — voor niemand een oplossing zijn
- Weten wat voor vlees je in de kuip hebt
- Willen weten welk vlees men in de kuip heeft — eerst willen weten hoe iemand is
Vertalingen
Engelsflesh, meat
Franschair, viande
DuitsFleisch, Fleisch
Spaanscarne, carne
Japans肉
Poolsmięso
Zweedskött
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek