vlezen
/ˈvlezə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) (bij dierenhuiden tijdens het maken van leer) van resten vlees ontdoen
- (ov) (voeding) (verouderd) (van een dood dier) opdelen in stukken die als voedsel kunnen worden bereidHet is herfst, de herberg oogt als een warm licht in de duisternis én - niet onbelangrijk - het jachtseizoen is geopend. Me dunkt dat er heel wat herfstig te vlezen valt.
- (inerg) dankzij voeding meer spierweefsel krijgen
Etymologie
*: "vlees" met de uitgang -en, waarbij de slotmedeklinker weer stemhebbend wordt
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek