vlezen

/ˈvlezə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) (bij dierenhuiden tijdens het maken van leer) van resten vlees ontdoen
  2. ov, voeding, verouderd (ov) (voeding) (verouderd) (van een dood dier) opdelen in stukken die als voedsel kunnen worden bereid
    Het is herfst, de herberg oogt als een warm licht in de duisternis én - niet onbelangrijk - het jachtseizoen is geopend. Me dunkt dat er heel wat herfstig te vlezen valt.
  3. inerg (inerg) dankzij voeding meer spierweefsel krijgen

Etymologie

*: "vlees" met de uitgang -en, waarbij de slotmedeklinker weer stemhebbend wordt