vlieger
mannelijk (de)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (speelgoed) een voorwerp dat door de wind aan een draad in de lucht opgelaten kan worden
- (wiskunde) een vierhoek waarvan twee paar aanliggende zijden en één paar overstaande driehoeken aan elkaar gelijk zijn
- (numismatiek) een betaalpenning die een bepaalde periode overal in Bolsward als betaalmiddel gebruikt wordt
- (scheepvaart) een klein roeibootje van het type schouw dat meegevoerd werd met een groter binnenvaartschip als bijbootje
- (scheepvaart) een klein driehoekig scheepszeil, dat voor en boven de kluiver tussen de (voorste) mast en de boegspriet wordt gevaren
- (beroep) iemand die vliegt
- (dierkunde) een dier m.b.t. zijn vaardigheid in het vliegen
Etymologie
* van vliegen .
Uitdrukkingen
- Die vlieger gaat niet op. — Dat is geen geldig argument, zo werkt het niet
Vertalingen
Engelskite, kite, flying jib
Franscerf-volant, cerf-volant, foc-en-l'air
DuitsDrachen, Drachenviereck, Deltoid
Spaanscometa, deltoide, aviador
Italiaansaquilone, aviatore, aviatrice
Russischзмей, лётчик, лётчица
Zweedsdrake, flygare, flygare
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek