vlieger

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. speelgoed (speelgoed) een voorwerp dat door de wind aan een draad in de lucht opgelaten kan worden
  2. wiskunde (wiskunde) een vierhoek waarvan twee paar aanliggende zijden en één paar overstaande driehoeken aan elkaar gelijk zijn
  3. numismatiek (numismatiek) een betaalpenning die een bepaalde periode overal in Bolsward als betaalmiddel gebruikt wordt
  4. scheepvaart (scheepvaart) een klein roeibootje van het type schouw dat meegevoerd werd met een groter binnenvaartschip als bijbootje
  5. scheepvaart (scheepvaart) een klein driehoekig scheepszeil, dat voor en boven de kluiver tussen de (voorste) mast en de boegspriet wordt gevaren
  6. beroep (beroep) iemand die vliegt
  7. dierkunde (dierkunde) een dier m.b.t. zijn vaardigheid in het vliegen

Etymologie

* van vliegen .

Uitdrukkingen

  • Die vlieger gaat niet op.Dat is geen geldig argument, zo werkt het niet

Vertalingen

Engelskite, kite, flying jib
Franscerf-volant, cerf-volant, foc-en-l'air
DuitsDrachen, Drachenviereck, Deltoid
Spaanscometa, deltoide, aviador
Italiaansaquilone, aviatore, aviatrice
Russischзмей, лётчик, лётчица
Zweedsdrake, flygare, flygare