vloed

mannelijk (de)/vlut/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. stromende vloeistof met daarmee gepaard gaande verhoging van de vloeistofstand
    De stortbui zorgde voor een plotselinge vloed die de rivier buiten zijn oevers deed treden.
  2. hoog water, getij
  3. medisch (medisch) uittrede van lichaamsvocht

Etymologie

* In de betekenis van ‘wassend water, stroom’ voor het eerst aangetroffen in 901

Vertalingen

Engelshigh tide, flood-tide
Fransflux, marée haute
DuitsFlut
Spaansmarea, pleamar
Russischприлив
Poolsprzypływ
Zweedsflod, högvatten
Deenshøjvande, flod