vloed
mannelijk (de)/vlut/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- stromende vloeistof met daarmee gepaard gaande verhoging van de vloeistofstandDe stortbui zorgde voor een plotselinge vloed die de rivier buiten zijn oevers deed treden.
- hoog water, getij
- (medisch) uittrede van lichaamsvocht
Etymologie
* In de betekenis van ‘wassend water, stroom’ voor het eerst aangetroffen in 901
Vertalingen
Engelshigh tide, flood-tide
Fransflux, marée haute
DuitsFlut
Spaansmarea, pleamar
Russischприлив
Poolsprzypływ
Zweedsflod, högvatten
Deenshøjvande, flod
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek