vloek

mannelijk (de)/vluk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bewust uitgesproken wens om iemand kwaad of leed aan te doen
    Er lijkt een vloek te rusten op dat verlaten huis.
    Dit team rekent af met de vloek die jarenlang over Oranje's penalty's hing.
  2. godslasterende uiting als iemand schrikt, zich bezeert of heel ontevreden is
    In de andere kamer hoorde hij een hoop gehijg, gestommel en af een toe een vloek.
    Ik slaakte een knetterende vloek.

Uitdrukkingen

  • in een vloek en een zuchtin een korte tijd, in de tijd die nodig is om een vloek en een zucht te slaken.

Vertalingen

Engelscurse, blasphemy, blasphemy
DuitsFluch
Spaansjuramento, taco