vluchten

/ˈvlʏxtə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) trachten te ontkomen aan dreigend gevaar
    De dieven vluchtten toen zij de politie de winkel binnen zagen komen.
    Halverwege de oorlog deserteerden er iedere maand meer dan vijfduizend soldaten; sommige bleven gewoon ergens hangen tijdens de oneindig lange marsroutes, andere vluchtten zodra het vuur werd geopend.{{Aut|Winchester, Simon
    Volgens de overlevering vluchtten meisjes uit Plancher-Les-Mines gedurende de Dertigjarige Oorlog (1618-1648) de bossen in om te ontkomen aan bloeddorstige huurlingen in dienst van de Zweedse bezetter.

Etymologie

* In de betekenis van ‘weggaan van gevaar’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1285

Vertalingen

Engelsflee, run away, escape
Duitsflüchten, fliehen, entfliehen
Spaansafufar, huir, fugarse