voetbal
/ˈvut.bɑɫ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (sport) (n) een balsport waarbij twee teams van 11 spelers met hun voeten (of hoofd) een bal in het doel van de tegenstander proberen te krijgenVooral mannen houden erg van voetbal.Maar het feit dat er specifieke gidsen verschenen voor schermen, paardrijden, voetbal en tennis - om er maar een paar te noemen - geeft aan dat sport zich tot een apart veld van expertise had ontwikkeld.Een andere reden om een sport als voetbal te verbieden kwam voort uit ideeën over de nationale identiteit.
- (voetbal) (m) een bal die bij de bovengenoemde sport wordt gebruiktDe voetbal was alweer lek.
Etymologie
* Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘leren bal voor de voetbalsport’ voor het eerst aangetroffen in 1648
Vertalingen
Engelsfootball, soccer
Fransfootball, foot, soccer
DuitsFußball, Fussball
Spaansfútbol, futbol, balompié
Italiaanscalcio
Portugeesfutebol
Russischфутбол
Chinees足球, 足球, 足球
Japansサッカー
Koreaans축구
Arabischكرة القدم
Turksfutbol
Poolspiłka nożna
Zweedsfotboll
Deensfodbold
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek